Leerling en meester

blancoblad‘Van ’t moment dat gij gelezen wilde worden was ’t om zeep.’ Ze zegt het zomaar tussen de soep en de patatten. Raak. Ik vergeet te slikken en kijk haar aan. Zij negeert mij volkomen en lepelt onverstoord verder. Erwtensoep. Ik leg mijn lepel met een iets te harde ‘tik’ neer. ‘Ge zijt toch gestopt met schrijven?’ Opgetrokken wenkbrauwen.
Ik hoor het verwijt. ’t Is natuurlijk meer dan waar. Ik (h)erken de meester in haar, leg mijn handpalmen samen en knik. ‘Namasté’. Ze draait haar ogen. Een schalks lachje.

Zo gaat het keer op keer. Heb ik maar net een ‘wijze’ uiteenzetting gebracht – over het Grote Plan dat we met overgave en vertrouwen dienen te verkennen, te ervaren. Dat onze weg (hoe onwaarschijnlijk dat soms ook lijkt) telkens weer precies die lessen en processen brengt die wij nodig hebben om meer en ‘volledig’ mens te worden, dienstbaar voor het hoogste goed… bla bla bla….
Wat ik eigenlijk zeggen wil is: ‘Kind, het is verdomd afschuwelijk dat je lijf niet meer wil meewerken in datgene wat jij het liefst doet, en waar je nog zo uitzonderlijk goed in bent ook , maar geef nu a.j.b. niet op en kijk over de beperking heen. Probeer de kansen die hierin liggen te ontdekken, hoe moeilijk dat ook is…’ Wat ik èigenlijk wil zeggen is: ‘Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat een zo jong en getalenteerd mens, zonder pardon de pas wordt afgesneden door een schijnbaar onoplosbare fysieke beperking…’ EIGENLIJK wil ik vloeken, tieren, met de vuist op tafel slaan van pure ellende. De onmacht, de boosheid, de frustratie! WAAROM?

We zijn een hele weg gegaan, mijn 16-jarige en ik. Anderhalf jaar – artsen, specialisten, kinesisten, osteopaten, alternatieve behandelaren, oefeningen en diëten, ‘do’s en don’ts’ – zonder resultaat. De pijn blijft. Gedaan met drummen, geen slagwerk meer, tout court. Gedaan met repeteren, met concerten, met wedstrijden, met academie. Geen groep, geen band, geen …, geen …, geen, … Opnieuw beginnen, van nul af aan.
‘Ik heb al heel mijn leven gedrumd, en slagwerk gespeeld.’ Ze zegt het met tranen in de ogen terwijl ze zelf beslist: ‘het is voorbij.’

Een toeter dan maar. Bugel, trompet of cornet… Het eerste blaasinstrument dat uit de lucht komt vallen zorgt meteen voor pijnlijk opgezette lippen en een kramp in de kaak, maar een foutloze toonladder later juichen we met zijn allen. Er is weer hoop.
‘Wanneer zou ik weer naar de repetities kunnen? En aan de jaarlijkse wedstrijd deelnemen? Een tweede instrument kiezen in de academie? …’ Zoveel  vragen. Ik weet hoeveel ze van zichzelf eist. Ik weet hoe hoog haar lat ligt. Ik weet dat, omdat ik het zelf zo goed ken, en toch zeg ik: ‘Doe het voor de ‘fun’. Wat maakt het uit hoe ‘goed of slecht het klinkt? Wat maakt het uit wat ‘de anderen’ er van vinden? De ‘beginnertjes’ hebben ook hun niveau. Gewoon doen, gaan met die banaan…’

Hoe verwonderlijk is haar antwoord boven het lauwe bordje erwtensoep.
‘Wanneer heb jij nog geschreven, mam?’