Bonbon

oude kastAl zou ik op mijn tenen staan, ik had ze niet kunnen zien. De ronde doos stond op de hoogste plank in de bruine vitrinekast. Bobonne wist ze blindelings staan. Ik volgde de benige hand die trefzeker naar het donkere plekje achter ‘t rookglas greep. Haar oude vriendelijke ogen beloofden iets lekkers.
De gebutste en kleurrijke tekening zat onder de roestbruine vlekken. Bobonnes magere vingers en rimpelige hand toonden hetzelfde vlekkenpatroon als het weerbarstige deksel. Het blikken trommeltje gaf zijn geheim niet zomaar prijs, maar ervaren handen als de hare, daar ontsnap je niet aan, want met een forse draai en een ruk lag het kleurrijke kluitje bloot. Geel, groen en rood, bedekt met een waasje suiker. Lange, dunne, dikke, bobbelige en ronde zoetjes, stevig aan elkaar geklit.
Ik keek diep in het doosje. Lang. Tè lang, begreep ik toen haar hand trilde en ze smekkende geluiden boven mijn hoofd maakte. Mijn ogen zochten een losliggend exemplaar maar vonden er geen. Ik aarzelde. Twee gelige ogen met een rozige rand glimlachten welwillend in de mijne, een tandeloze lach en een bemoedigend knikje. Ik dook gauw weer in het doosje en greep de dikke rode beet. Met een ferme draai gaf het nukkige balletje mee. Zonder pardon of ‘dankuwel’ verdween het in mijn mond. Eer ik het goed en wel besefte zat het deksel er alweer op, en schuifelde Bobonne terug naar de bruine vitrinekast. Het blik ging meteen weer op de bovenste plank, vanwaar het spottend op mij neerkeek.

Mijn mond viel droog. Alle speeksel scheen eensklaps te verdwijnen. Kurkdroog.  Mijn tong zocht het verjaarde lekkers dat heel gauw zijn ronde vorm verloor waarbij er geen zweempje zoetigheid werd prijsgegeven. Integendeel. Duf, bitter en wrang. Oude hars kleefde op mijn tanden en lijmde mijn mond dicht. Mijn neus prikte, en mijn ogen traanden. Zonder speek kun je niet slikken. Mijn keel voelde droog en kneep stilaan dicht. Ik wilde niet stikken.
Mijn klamme handen zochten verwoed naar een zakdoek in mijn uitpuilende zakken, maar tussen touw en knikkers, een paar stenen en een springbal, geen zakdoek te vinden. Mijn kaken versteenden, en ik besefte dat het nu een kwestie van tijd en concentratie was. Beleefd blijven en wachten. Ik zou het fosiel in mijn mond hardnekkig negeren en niet toelaten dat het me tot de hoestbui dwong waarmee ik Bobonnes rafelige tapijt zou ruïneren.

‘Zijde mottig, meiske?’, met een forse ruk aan mijn arm vloog ik de kamer uit. Zelfs Bobonnes wc wilde het kleffe misbaksel niet doorspoelen.