Waterlander

WaterlanderWij hoog en droog, met de wind in de rug, fietsend door het landschap. Het knarsend lint kronkelt langs de kabbelende waterweg. Gekabbel en gebabbel. Ruisen, en suizen. Het constante fluisteren van water, wilg en vlier.
    Wij fietsen zwijgend, zij aan zij. Niet het zwijgen van twee mensen die mekaar, moe van het jarenlange spreken, niets meer te vertellen hebben. Dit is het zwijgen van hen die zo één zijn, en al zo lang bij elkaar, dat er een woordeloos ‘samen’ heerst. Iets wat ontstaat als twee harten samen slaan, of als gedachten spontaan op dezelfde frequentie trillen, of als er slechts dat ene is, dat ‘wij’ .
    Schel Hollands gekijf snelt haar vooruit. Wij moeten wijken. Ze waaiert uit naar alle kanten, het oude wijf op de pré-historische bakfiets. Alles aan haar is zwart. De vormeloze kap over haar kleurloze haren, haar flodderige rokken en wijde sjaal. Ik voel hoe onze gemeenschappelijke fontanellen scheuren terwijl ik van de weg afzeil. Mijn handen omklemmen het stuur dat me recht naar het water slingert. Ik roep vergeefs, en zie in een ooghoek de Hollandse raaf met de kwiekheid van een twintiger over het jaagpad scheren. De stroom opent haar glimmende armen terwijl ik (in een onbegrijpelijke slowmotion) met fiets en al van de oever glijd.
    Tussen het schuiven en de val is er niets. Alleen zwart, en het klaterende lachen van de gretige rivier. Het volgende ogenblik bungel ik als een losgeslagen kluit aan de tenen van een wilg terwijl het water aan mijn voeten likt. Ik bid om hulp, maar boven mijn hoofd verbrokkelt de aarde, en het wordt donker wanneer een zwarte wolk van rokken en sjaals op de oever neerdaalt. Ik kijk in het gelaat van een tandeloos wijf terwijl het water me vierkant uitlacht.