Mieke (deel 2) – Eruit

MVH_1short (1 of 1)-3
Het kleine kamertje kreeg met de tijd dan toch ogen. De mijne. Toen Pa me voor het eerst in die nauwe ruimte dwong begreep ik nog niet goed wat me overkwam.  Maar dat het niet bij die ene keer zou blijven, daar kwam ik gauw achter.
    ‘Ik doe mijn best, Pa,’  ik smeekte het.
    ‘Ze doet haar best, Pa,’ Moe werd een vage echo in de lange donkere gang.
    ‘Dan doet ze dat niet hard genoeg,’ hij gromde het tussen zijn tanden. Moe zal het niet gehoord hebben. Ik wel. De deur ging met een onverbiddelijke klap dicht en de aarden wanden slokten me op. Ik schopte niet meer tegen het deurtje, ik gilde het niet meer uit, ik zocht geen opening meer in de zwarte wanden. Ik beet mijn kaken op elkaar en slikte de dikke brok in mijn keel weg. ‘Waarom kan ik het niet leren?’ Volstrekte duisternis. Stilte.
    Mieke zingt in hol (1 of 1)
    Mijn poten wilden rennen, mijn ogen wilden kijken en mijn oren – die reusachtige flappers aan mijn kop – hoorden alles. Zelfs het vage kreunen van de oude boomkruinen daarbuiten ontsnapte niet aan mijn aandacht. ‘Op een dag, als ik groot genoeg ben, dan zal Moe me meenemen,’ dat heeft ze beloofd. ‘Dan mag je mee, de wijde wereld in,’ ze keek me dan aan met die typische mengeling van vreugde en angst in haar ogen, ‘Je moet nog veel leren, Mieke, eer het zover is…’
    Maar in mij groeide het verlangen. Ik wilde de hemel zien, de verse vruchten proeven, de wind in mijn oren horen fluiten. Ik wilde proeven, voelen, zien. Mijn lijf zat vol verlangens.
    ‘En dat zul je allemaal moeten bedwingen, Mieke,’ ze zei het met een fluisterstem en keek zelfs niet op van haar verstelwerk terwijl ik haar bestormde met mijn vragen. Het fornuis gloeide, kooltjes tikten en rolden uitgedoofd in de aslade.
    ‘Ze heeft het me weer gelapt,’ Molly rolde met haar ogen. Moe’s blik werd donker en gleed vluchtig over me heen. Ik kromp een beetje en hoorde alweer het verhaal van de dag. Meestal kreeg ik daarin een niet onbelangrijke rol. Maar steeds was het een rol die op weinig bijval kon rekenen. Ik bracht de boel in de war, verstoorde het werk, liep iedereen voor de poten, maakte lawaai… er volgde nog wat over wanorde, verantwoordelijkheid, en het eindigde steevast met verwennerij.
    De rode gloed van het fornuis wierp grillige schaduwen. Ik vroeg hen stilletjes die boze woorden en schelle klanken te verjagen. Ze dansten op de rossige wanden en likten zelfs de zwarte hoeken schoon met hun lange tongen. Ik knikte dan goedkeurend, en knikte en knikte, terwijl de boze woorden oplosten in het flakkerende licht. Meestal werd ik weer wakker tussen de koele dekens van mijn bed. Heel even maar. Moe maakte dan een zegenend gebaar boven mijn hoofd en ik verdween weer in de avondrust.
    Bij nacht hield Pa de wacht, buiten in het bos. Hij nam de jongens mee want kerels moesten de gevaren van het woud trotseren.
    ‘We krijgen zwarte tijden,’ Pa bromde en schudde ’s ochtends de voorbije nacht van zich af als een bevroren mantel, ‘de grijzen zijn bang.’ Moe rilde dan. Iedereen zweeg. Ook de jongens. We aten het ontbijt in stilte. We werkten in stilte. We spraken zelfs zonder woorden. Maar ik niet. Ik had nog veel te leren. Moe had het gezegd. Pa sprak een andere taal.
    ‘Ik doe mijn best, Pa,’ maar voor hem was dat een kinderachtige leugen, een flauw excuus. De honingkoek was aangevreten, en de bessenlade een rommeltje. Alle ogen, alle poten – wat ook de orde verstoorde – ze gingen allemaal in mijn richting. Ik had geen verhaal. Ik was te klein, te dom, te lui, te speels, te nieuwsgierig, te snel, te traag…

Mieke bang in hol (1 of 1)
    
    Zo kreeg de blinde kamer ogen. Ik was haar kloppend hart. Al bij die eerste keer had ik haar stem gehoord. Nog heel ver weg, en fluisterzacht. Maar ze was er, want ik had haar gehoord.
    ‘Zing Mieke, zing…’
    Had ik dat goed verstaan?
    ‘Zingen is voor vogels.’ Pa had het met een dreiging in zijn stem gezegd, toen ik via een scheur in het wortelgewelf een onverwacht vogelconcert bijwoonde. Mijn hart sprong op, en als vanzelf was ik plots met hen mee gaan zingen. Even later sloot het duister me weer in. De stilte nam het over van Pa. Ik was een onmogelijke leerling.
    ‘Zing Mieke, zing.’ De stem drong nu vriendelijk aan. Ik haalde mijn schouders op, hapte naar adem en zette de vogelmelodie in. Eerst zacht en voorzichtig. In mijn hart vloog een vogelkoor hoog op.  Ik sprong op mijn poten, borst vooruit en bek wijd open. In mij lag een verrassend repertoire, en dat wilde eruit. Terwijl ik zong vulde een tintelend licht mijn hoofd en lijf. Het borrelde in mijn buik en mijn borst barstte bijna van puur plezier. Mijn laatste tonen heb ik ingeslikt terwijl ik aan Pa’s klauwen bungelde. Toen is het allemaal erg snel gegaan.
    ‘Het moet nu maar eens uit zijn met dat gedoe van haar.’
    Mijn poten konden mij zo gauw niet volgen dus liet ik mijn lijf maar meeslepen door de grote gang. De gang naar buiten. Verboden terrein. Nu werd ik er doorheen gesleept, mijn nek schrijnde in zijn klemmende greep. Met een zwaai ging het grote luik open. Ik buitelde over de drempel heen en landde met mijn neus in een tapijt van mos en vochtige aarde.
    Het moet Moe geweest zijn die ik wanhopig hoorde piepen achter Pa’s brede rug. Ik lag als verdoofd op de aarde en knipperde tegen het felle daglicht. Om mij heen zag ik vormen en kleuren die ik zelfs in mijn wildste verbeelding nooit had gezien. Moe had de wereld voor mij getekend, veilig binnen, bij het gloeiende fornuis. Op blaadjes geschetst, met enkele pennenstreken gevormd en zachtjes ingekleurd. Deze wereld had geen zweem van die plaatjes.
    ‘Zoek het nu zelf maar uit,’ zijn stem had nooit zo bitter geklonken, ‘als je begrepen hebt hoe een Goudhalsbosmuis zich gedraagt dan kom je maar terug.’ Ik krabbelde haastig overeind en wilde hem smeken maar de poort viel genadeloos in zijn slot.
    Alles in mij schreeuwde. Ik schopte tegen het houtwerk, en gilde het uit. Mijn poten bonkten tot bloedens toe op de ruwe bast die de toegang tot het hol afsneed. Mijn keel voelde rauw, mijn ogen brandden en het snot liep uit mijn neus. Toen zakte ik in elkaar. Mijn poten trilden, mijn hele lijf schokte, en het bonken zette zich in alle hevigheid voort tussen mijn oren. Ik dacht dat mijn kop ging ontploffen toen ik in snikken uitbarstte.
Mieke in het mos (1 of 1)-3
    Een tijdlang heb ik niets meer gezien, niets meer gehoord en niets meer gevoeld. Toen streelde een warme zonnevlek mijn rode vacht. Met ogen op spleetjes speurde ik om me heen. De brede kruin van beuk ving een bundel zonlicht en strooide die in duizenden gouden vlekjes over de aarde. Het schaduwspel in Moe’s keuken verbleekte bij het zien van deze speelse dans in zoveel tinten goud en groen. De aarde bedwelmde me met haar rijke geur van bes en noot, van rottend blad en verre bloem. Ik ademde diep, diep in, en voelde een ongekende rust over mij neerdalen. Mijn hoofd was leeg en vol tegelijk. Een heldere vogelroep zette een kwinkelerend koor aan om het beste van zichzelf te geven. Met een zucht van opluchting stroomde de pijn uit mijn lijf, de zorgen uit mijn hoofd en de angst uit mijn buik. De aarde nam het vriendelijk van me over en ik liet me meenemen in een golf van vogelzang. Het werd zo licht in mijn kop dat ik duizelde, ik viel in gouden vlekjes uiteen en schonk mezelf gewillig aan de zoet geurende aarde.

Mieke in het mos (1 of 1)
    Hoe lang ik daar gelegen heb weet ik niet, maar toen ik mijn ogen opende was het hemelse licht verdwenen. Een koele schaduw nam mijn gouden glans met zich mee en de reusachtige stammen kleurden dieprood. Mijn lijf liet zich zwaar en pijnlijk voelen. Mijn poten stonden blauw en gezwollen, hier en daar diepe schrammen waarop gedroogde bloedresten kleefden. Mijn keel brandde. Ik had dorst. Met stille hoop wendde ik mijn blik naar het oude hol. De poort was nog steeds dicht maar bij de drempel stond een buidel. Die had er voordien niet gestaan. Ik keek om me heen. Niemand. Toen sloop ik voorzichtig naar de lappenbundel. Het werk van Moe. Zorgvuldig in mekaar gezet en met een zelf gevlochten touw gestropt. Twee stevige riemen en een gesp van hoorn. Moe.
    Met bibberende poten peuterde ik het gestrikte touw los. Een wollen dekentje, zakjes met noot en bes, een bundel met plaatjes. Die kende ik. Moe had ze zelf getekend. Daarmee zou zij me wegwijs maken in mijn stamboom en later ook in de wereld. Later…
    ‘Moe,’ ik moest het luidop zeggen, ook al wist ik dat ze me niet horen kon, ‘Moe, Moe, …’ Gebonk in mijn kop. Ik stopte de plaatjes terug in de buidel en knoopte hem zorgvuldig dicht. Achter mijn ogen prikten tranen maar ik wilde niet meer wenen en slikte ze dapper weg. Ik gooide de zware zak over mijn schouders en trok de riemen aan. Toen rechtte ik mijn rug. Geen idee welke kant ik op moest, maar een weg terug was er niet. Nog niet.
    ‘Een echte Goudhalsbosmuis,’ ik zoog de avondlucht op, ‘ik kom terug, Pa.’ Een rilling liep over mijn rug, mijn poten voelden nog onvast. Ik aarzelde.
    ‘Volg je poten, zij weten de weg,’ ik kende die stem. De stem van het blinde kamertje? Nu? Hier? Een glimlach, zomaar vanzelf. Ik zette een poot vooruit, en nog een, en nog een. De aarde was zacht en lag bezaaid met voedsel. ‘Moe had zich de moeite wel kunnen besparen…’, ik zuchtte maar hield mijn rugzak met beide riempjes stevig vast.
    ‘Er is genoeg’, klonk het ergens diep vanbinnen. En terwijl het avondrood plaats maakte voor wel duizend sterren aan de hemel namen mijn poten me mee in die grote wijde wereld.

(wordt vervolgd)

Mieke in het mos (1 of 1)-2

Wat vooraf ging lees je hier.