Mieke (deel 1) – Wie ben ik?

MVH_1short (1 of 1)-6

‘Mijn juweeltje.’ Wat dat was, een juweeltje, dat wist ik niet, maar ik wist wel dat het bijzonder was. Als Moe het fluisterde dan keek ze me aan met die warme gloed in haar ogen. Ze krabbelde daarbij tussen mijn oren en maakte een zacht zoemend geluid. Ik piepte dan stilletjes van puur genot, en wenste dat ze nooit zou stoppen met krabbelen en lieve woordjes zoemen. Maar Moe had het druk, erg druk. Wat wil je met zo’n talrijk nest?

  Ik ben de jongste muis uit een nest van zeven. Geen gewone grijze muis. Neen. Ik leerde al heel vroeg dat ik de laatste telg ben uit een oud geslacht.
    ‘Wat is een geslacht?’, vroeg ik met een piepstem.
    ‘Je hoeft maar naar je gouden kraag te kijken om te weten dat jij een bijzonder muisje bent, Mieke.’ Moe vertelde het niet één, niet twee, maar misschien wel meer dan honderd keer. Want ik wilde graag een antwoord op alle ‘hoe’s’ en ‘waarom’s’ van dit verhaal. Zo ontdekte ik dat ik behoor tot de orde van Goudhalsbosmuizen. Een oude en edele tak van onze soort. Een zeldzame tak, dat is een eer maar ook een vloek.  Die woorden klonken zwaarwichtig en prikkelden mijn nieuwsgierigheid. Terwijl ik met gloeiende oren naar de oude verhalen luisterde rolde in mijn geest de ene vraag over de andere, want met ieder antwoord kwam er een nieuw raadsel aan het licht.
    ‘Een grote verantwoordelijkheid is het,’ Moe zuchtte en staarde over mijn kop heen, ‘je zal altijd het voorbeeld voor de grijze muizen moeten zijn, Mieke. Pas dus goed op je tellen.’
    Ik kon nog niet tellen en dacht dat die boodschap niet aan mij besteed was. Maar die mening zou ik spoedig moeten herzien.

    Waar Moe poten tekort kwam nam Molly het van haar over. Molly kende het reilen en zeilen in het hol. Zij had al veel geleerd, dus kon Moe er gerust op zijn, en de zorg voor dit jonkie aan haar oudste dochter overlaten.
    ‘Ze verwent je.’ Molly’s stem klonk scherper als Moe niet in de buurt was. Haar poten waren dan ook ruwer, en haar ogen keken dan heel streng. Van haar leerde ik dat ik zwijgen moest. Al die ‘hoe’s’ en ‘waarom’s’ waren nergens goed voor. Ik zou wel leren wat ik weten moest als de tijd daar rijp voor was.
   ‘Waarom moet de tijd rijpen, en rijpt de tijd gelijk met blauwe besjes voor de taart?’ Stilte. Molly’s ogen stonden onvriendelijk en star. Ik klapte mijn bek dicht en sloeg mijn ogen neer.
    ‘Je bent tè nieuwsgierig, Mie!’, Molly tikte met geheven vinger op mijn neus, ‘en koppig ben je ook.’ Zo ontdekte ik hoe weinig ik van het leven begreep. Maar vragen stellen? Geen denken aan.
    ‘Ons domme jonkie’. Grote broer gaf mij dan gelijk een klap op mijn kop. Dat die harder aankwam dan bedoeld, was geen punt. Al na die eerste keer had ik geleerd dat kleinzerig zijn niets voor een echte Goudhalsbosmuis was. Dus hield ik voortaan mijn bek. Ook als het pijn deed. Ik leerde in een grote boog om mijn oudste broer heen te lopen. Maar het nest was talrijk, en het hol groot.

MVH_1short (1 of 1)-4
    Het lag diep in het bos onder de tenen van een oude eik. Er waren kamers en gangen. In alle kamers, en zelfs in de gangen, zaten ogen. Sommige ogen keken vriendelijk of geamuseerd, sommige waren uitnodigend – dan kon ik zelfs  wat lekkers verwachten, maar bij andere ogen bleef ik liever uit de buurt. Dan kon ik beter op mijn passen terugkeren. ‘Lanterfanter’, ‘Nietsnut’, ‘Curieuze neuze’: boze echo’s die hun akelige schaduw wierpen in de onderaardse gangen.
    Het krioelde er. Overal broertjes en zusjes. En allemaal hadden ze taakjes en plekjes. Ik niet.
    ‘Jij bent nog te klein, Mieke’, dat had ik keer op keer gehoord. Maar ik wilde er bij horen. Ik wilde het ook druk hebben, en belangrijke dingen doen. Waarom zou ik geen pootje toesteken bij het schikken van de voorraden? De stapelplaats lag diep in het hol. ‘Een verborgen schatkamer,’ dat dacht ik toen ik voor eerst op die geur afging. De zoete en droge aroma’s van bes en noot hadden me naar de buik van het hol geleid. Ik keek mijn ogen uit bij zulke stapels noten, zaden en bessen.
    ‘Gulzigaard!’
Ik verslikte me, en stikte bijna in een blauwe bes toen mijn jongste broer achter de stapel opdook. Tussen zijn vingers een pennetje geklemd. Daarmee krabbelde hij op een beukenblad. ‘Kun je schrijven of tellen?’ Dat had niemand me geleerd, ik schudde beschaamd mijn kop. ‘Dan heb je hier niks te zoeken, Mieke.’
    Het klonk niet helemaal onvriendelijk maar dat veranderde toen ik een stap terug zette en daarbij een fikse stapel eikels omver liep. Over een rollend tapijt van eikeltjes rennen was spannend en kriebelde mijn poten. Ik schaterde het uit maar broer keek met donkere ogen en siste: ‘Eruit!’ Een fikse zet. Met een buiteling landde ik in de gang. ‘Lomperd!’, het rolde eruit als een donderslag en gelijk klapte de deur achter me dicht. Achter die deur klonk het haastig tikken van eikels die weer op stapel gingen, het rommelende gemor van broer dreunde nog een tijdlang na. Ik trilde op mijn poten en krabbelde verslagen overeind. Maar toen een bedwelmende zweem van bessentaart mijn neus streelde reageerde mijn maag met fors geknor. Daarmee was boze broer op slag vergeten. Op naar de keuken.
    De keuken, het hart van het nest. De plek van Moe. Moe, èn lekker eten. Ik rammelde, en bessentaart was mijn lievelingskost.

MVH_staartklem
    ‘Ho, maar!’
    Met een snok bleef ik hangen in de bocht. Mijn staart zat klem. Een schrijnende pijn. Ik voelde hete tranen prikken achter mijn ogen maar ik mocht niet kleinzerig zijn dus pakte ik mijn staart met beide poten vast en trok voorzichtig. Muurvast. Ik gluurde om de hoek. Een stevige poot hield het puntje van mijn staart tegen de grond. Broer leunde nonchalant tegen de wand. In mijn volle vaart had ik hem niet opgemerkt.
    ‘Hier wordt niet gerend.’ Broer keek onbewogen uit zijn ogen, dan wendde hij zijn blik naar zijn vuist, hij bestudeerde langdurig zijn nagels en maakte geen aanstalten om die zware achterpoot weg te halen.
Ik kon een pijnlijk piepje niet onderdrukken, en trok voorzichtig aan mijn staart. Hij negeerde mijn smekende blik en bleef strak naar zijn klauwen kijken.
    ‘Rennen is dwaas. Het past niet bij je stand.’    
    Ik sloeg mijn ogen neer en knikte. Toen hij opeens losliet verloor ik mijn evenwicht en kukelde tegen de wand. Ik wilde het meteen op een rennen zetten maar ontmoette zijn ijzige blik en bedacht me. Met afgemeten schreden deinsde ik achteruit. Zijn ogen strak op mij gericht, daarin lag een vreemde mengeling van goedkeuring en vermaak.
    
    De zoete baklucht werd steeds sterker en mijn buik knorde. Ik volgde mijn neus. De keuken strooide een uitnodigende gloed in de aarden gang. Het fornuis gloeide nog na en op het aanrecht stond een rij dampende taartjes. Ik vloog er op af en wilde meteen aanvallen maar mijn graaiende poot ving een harde tik. Auw! De donkere ogen van Moe waren gloeiendhete kooltjes.
    ‘Kleine dief!’, Moe schudde mijn poot alsof er drek aan kleefde. Ik voelde mijn tengels gloeien en liet mijn kop zakken. Het was waar: ik was gulzig en dwaas. Eigenlijk wilde ik nu het liefst van al in de grond kruipen maar Moe liet mij niet los.
    ‘Je hebt haar verwend.’ Mijn poten begaven het. Dat was Pa. Ineengedoken op de grond hield ik mijn adem in. Iets in mij stond op knappen maar ik bewoog niet, ik beet mijn kaken opeen en wachtte af. Kringelende slierten stegen op uit zijn kopje vers gebrande eikelkoffie.

    ‘Ze heeft geen manieren, Moe,’ zijn stem klonk rauw en donker.    
    ‘Ach, ze is nog zo klein.’ Moe legde sussend een poot op mijn kop. Die warme poot voelde veilig en ik zocht hoopvol Moe’s gezicht. Haar gouden kraag was hier en daar met zilver doorschoten, haar ogen leken moe en oud. Blonk daar een traan in haar ooghoek? Was Moe verdrietig? Een brok in mijn keel, ik slikte. Had ik Moe pijn gedaan?
    Een snik. Ik sloeg mijn poot voor mijn bek, mijn ogen schoten van Moe naar Pa en weer terug. Dit keer kwam Moe me niet te hulp. Mijn poot verdween in de forse greep van Pa. Met een snok nam hij me mee. Ik stribbelde tegen en wierp een smekende blik over mijn schouder. Maar Moe had zich afgewend. Ze steunde op het aanrecht, haar gebogen kop staarde naar de dampende bessentaartjes.
    Pa sleurde me door de gangen.
    ‘Weet jij waar dieven thuishoren, Mie?’ Op die vraag wist ik geen antwoord, maar daar kwam ik al gauw achter.

    Het kamertje zonder ogen. Kil en vochtig, klein en laag. Op mijn vele zwerftochten had ik me wel eens afgevraagd waar dit nauwe hol voor diende. Maar ik had geleerd om te zwijgen, dus was die vraag nooit over mijn lippen gekomen. Nu wist ik het. Ik landde op mijn buik. Hij had het wellicht niet zo ruw bedoeld, maar het deed wel pijn. De deur ging krakend dicht.

In dit kamertje zat een verwend nest. Koppig en dom. Gulzig en dwaas. Te klein om iets te betekenen. Een onhandige dief. Dit keer kroop ik niet overeind. Ik legde mijn bonkende kop in mijn poten en sloot mijn ogen. Het werd donker. Erg donker. En stil. Zo stil.
    ’Dit is de schatkamer van Moe,’ de wonderlijke stem kwam van diep binnenin, ‘en jij bent haar juweeltje.’ (wordt vervolgd)

MVH_1short (1 of 1)-2