Vlegel

VLEGEL_

Hij kwam van ver, zijn vel was zacht,
zijn naam was Vlegel, en moed zijn kracht.

Een ruggetje glimmend en glanzend schoon,
zo zacht en donzig, niet zo gewoon!

Zijn snuit was spits, zijn neus rook veel,
nieuwsgierige oogjes, een klein beetje scheel.

Hij zocht een nieuw huis in een ver vreemd land,
het was koud, plots al herfst, hij was er gestrand.

Het bos lag vol blaadjes, veel kleuren en geur,
op zoek naar een plaatsje maar nergens een deur.

Verlaten de wegen van bos, hei en veld,
nu winter eraan kwam, stormachtig geweld.

Hij speurde naar maatjes, een gastheer misschien,
maar het bos leek verlaten, geen diertje te zien.

Vlegel7

Hij piepte verdrietig, ‘Waar vind ik een huis?’
toen Mol bovengronds kwam: ‘Wat hoor ik? Een muis?’

Heer Vlegel schrok op, ‘Vrouw Mol, oh wat fijn!’,
‘Ik zoek een nieuw huisje, groot moet het niet zijn.’

Vrouw Mol kuchte even, verrast door de vraag:
‘Kom binnen, kom binnen, ‘t is erg koud vandaag.’

Toen ging zij hem voor, dook diep in de gang,
‘Wat donker’ dacht Vlegel, ‘dat zwart me bang.’

‘Hier onder de grond is het knus en heel veilig’,
Mol lachte tevree haar plekje was heilig.

‘Veel kever en pier,
een maaltijd met mier,
geen last van de wind,
wees welkom mijn vriend.’

Maar Vlegel dacht: ‘Bah! Zo onder de grond,
valt niets te beleven, ‘t lijkt niet zo gezond…’

Hij keerde zich om, ”k Ga weg, ‘k heb ‘t gehad!’
Maar dit keer geen Mol op zijn weg, maar een Kat.

Vlegel14

Verwonderd bleef poeslief heel stilletjes staan
toen is ze voorzichtig naar Vlegel gegaan:

‘Mooi dier, lekker beestje, met oogjes vol spijt,
wat kijk jij verdrietig, je weggetje kwijt?’

Een ronkend lief dier, met streelzachte staart!
‘Wat fijn jou te vinden, ‘k zoek huis met een haard!’

Poes ronkte verrast, genoegzaam en blij,
ze dacht: ‘Da’s een vette, die prooi is voor mij!’

Ze sprak suikerzoet, en ook wat bedeesd:
‘Een diertje als jij, nog nooit hier geweest?’

Vlegel werd blij, plots was had hij weer hoop:
‘Een vriend op mijn weg, het pad dat ik loop.

Het werd wel wat eenzaam en koud op den duur,
ik kreeg er genoeg van, geen fijn avontuur.’

Vlegel5

Kat spinde en ronkte en fluisterde zacht:
‘Het is wel mijn dagje’, dat is wat ze dacht.

‘Al uren geknor in mijn lege maag,
maar niet meer voor lang, ‘k heb geluk vandaag!’

Blaadjes dwarrelden, de wind woei fel,
een kille rilling prikte Vlegeltjes vel.

Dat was die slimme poes niet ontgaan:
‘Kom lekker dicht bij me, mijn kleine kompaan!

Zo’n dunne vacht, op dat bevroren lijf,
kom hier dat ik jou lekker warmpjes wrijf.’

‘’t Is waar, ja ’t is zeker, ik voel me verstijven,
wat aardig dat jij mijn rugje wilt wrijven.

Zo’n streelzachte poot, wel dat doet deugd,
en ‘t schenkt flink wat warmte, ik ben zo verheugd.’

Maar arme Vlegel had echt niet verwacht
dat in die warme wollen vacht,

verstopt tussen fluweelzachte tenen,
scherpe klauwen zaten, die het niet goed menen.

Terwijl hij met zijn oogjes dicht,
in ‘t bleke kille winterlicht,

genoot van zachte kattenpoot
grijnsde de poes haar tanden bloot.

Zij sloeg haar klauwen als messen in ‘t vlees:
‘Die Vlegel gaat smaken, ‘t is meer dan een mees!’

Vlegel schrok op en krijste heel luid,
vol pijn en verwarring sprong hij achteruit.

Poes kraste en klauwde, opnieuw, keer op keer,
zij siste en vloekte: ‘Jij ontsnapt me niet meer!’

Zijn rug, bloed en krassen, wat deed dat een pijn,
maar Vlegel was snel, schoot weg van ‘t venijn.

Hij dook tussen bladeren in ‘t lage gewas
en vond daar een gaatje in het dorre gras.

Vlegel3

De poes jankte akelig en griste ernaast:
‘Die Vlegel is sneller dan mij, dat verbaast!’

Ze zocht en ze wroette, de wilde kattin,
maar weg was die Vlegel, het holletje in!

Wat een geluk dat vrouw Mol hier woont,
Vlegel met pijn, heeft zijn rugje getoond.

‘Ach, ach!’ zei vrouw Mol, ‘Wat triest jongeman.
Je rug zit vol krassen dat krijg je ervan!

De wereld daarboven, zit vol met gevaar,
maar hier ondergronds is ‘t goed maar niet klaar.’

Vlegeltje snikte en smeekte vrouw Mol:
‘’k Heb pijn lieve dame, ‘k zoek hulp in jouw hol.’

Mol knikte en zuchtte: ‘’t is goed, ‘k zal je helpen,
er is een manier om dat bloeden te stelpen.

Mijn bed ligt vol naalden van sparren, en den,
‘ k vrees alleen dat ik er niet erg goed in ben…’

‘Vrouw Mol, aarzel niet,
dat doet me verdriet.

Doe nu maar je werk,
en maak me weer sterk.’

Vrouw Mol nam een naald en ging toen wat hechten
terwijl Vlegel jankte, zo hard als bij ‘t vechten.

De Mol deed haar best, heeft de wonden hersteld,
maar ’t voelde nog pijnlijker dan het kattengeweld.

Want Mol blijft een mol en dus stekeblind,
verbaast het jou dan dat zij haar naald niet meer vindt?

‘Ik pak wel een andere, ik heb er een berg,
en Vlegel heeft pijn, die vindt dat niet erg.’

Dus steek achter steek, en naald na naald,
heeft Mol bange Vlegel er doorgehaald.

Zijn rug was weer dicht
maar, oh wat een zicht…

Vlegeltje snikte, wat had hij een spijt,
hij leek plots een Oosters spijkertapijt.

‘Voortaan heet je Egel’,
zei Mol tegen Vlegel,

‘Er valt nu helaas niets meer te sussen,
je ziet eruit als een speldenkussen!

Doe ’t rustig aan, wat minder wild,
van nu af aan draag jij een schild.’

Egel stond op en rechtte zijn rug
’t was waar, niet gelogen, het ging niet zo vlug.

Hij knikte en lachte van oor tot oor:
‘Al goed, ‘k red het wel, ik ga er vandoor.

Wie mij wil vangen, wel die heeft pech,
van die scherpe stekels blijf je beter ver weg!

Bedankt vrouw Mol, jij bent een vriend,
ik nogal koppig, dit heb ik verdiend!

IMGP2399

Egel ging weg en dacht: ‘Wacht, ik blijf!
Geen verre reizen meer met dit lijf.

Nu ben ik Egel, ‘k woon onder een blad.
Laat ze maar komen, die valse kat!’

’t Was toen dat ze hem rook, ze kwam terug,
maar toen ze hem klauwde prikte zijn rug.

Poes jankte en huilde, en likte haar poot,
ze vloekte heel driest en wenste hem dood:

‘Al goed, ja, ik laat je, mijn Egelvriend,
van jouw stekellijf ben ik toch niet gediend.

Ik ga wel mijns weegs, ik ken hier de weg,
maar merel en muis, wel die hebben pech!’

Vlegel2