Winterwiefjes

IMGP2070Het Borrebos hield zijn adem in. Er hing een ijzige stilte nu de vrieslucht ieder geluid in zijn greep had. De eerste vorst kwam laat in de herfst. Een schuchtere ochtendzon liet de kale stammen lichtjes blozen.

    Penny keek verdwaasd voor zich uit, zij had nauwelijks geslapen. De koude was nu zo bijtend dat die zelfs onder haar veren kroop. Zo leek het tenminste, want de ene rilling volgde op de andere. Kippenvel?
    ‘Ach wat!’, Penny strekte haar linkervleugel, de rechtse hing er wat slapjes bij. ‘Onzin! Stel je voor, een Winterwief met kippenvel.’ Penny plukte met haar snavel tussen wat kromgetrokken veertjes en schudde haar kop, maar het bibberen stopte niet. Ze rekte haar lange nek en maakte zich groot. Ze haalde diep adem, sperde haar bek en stootte een kreet het bos in. Haar rauwe gekrijs ketste hard af op de naakte kruinen. Penny wachtte af maar het bleef stil. Geen geritsel, gekraak, gescharrel, gekakel of gekwetter. Niets. Een naar gevoel prikte in haar nek. Geroffel in haar borst. Penny hapte naar adem en schudde driftig haar kop als wilde ze wakker worden uit een boze droom.

    Gisteren was het nog zo’n drukte. Ze streken met honderden neer. Uit alle hoeken van het grote Borrebos en de wijde wereld daaromheen. Eén grote familie was het. Sommigen waren onstuimig en wild, anderen rustig en mak. Jongen en ouden. Een gekwetter en getetter van jewelste. Penny keek haar ogen uit en haar hart bonsde bijna uit haar lijf. Zelfs nu ze eraan terugdacht werd het weer warm onder haar vleugels. De grote samenkomst was een feest van verhalen. Naar welke richting zij haar kop ook draaide, ze ving er steevast een paar nieuwe op. Verrassende, grappige, droevige en geheimzinnige. Elke vogel had wel een avontuur beleefd – het ene al wat spannender dan het andere – en Penny luisterde met verwondering, ontroering en plezier. Zelf wist zij maar weinig van het leven. Ze was nog wat ‘piep’ en bovendien een beetje ‘anders’ ook.

IMGP2009

    Ondanks haar lange nek was ze het kleintje gebleven. Wat laat uit het ei gekomen, een volstrekte verrassing voor pa en ma. Haar broer en zusje braken veel eerder uit hun schaal, dus omdat Penny wat meer tijd nodig had waren ze haar haast vergeten.
    ‘Een windei!’, had pa gezucht. En samen waren ze alvast met de zwemles begonnen.
    Hoe wonderlijk toch, dat de voorjaarszon Penny’s kleine plekje zo verwarmde dat het binnenin niet langer houdbaar was. Met een zet van haar schouder en een flinke tik van haar bek begaf de schaal het. Er volgde een langgerekt gekraak waarvan niemand getuige was. Heerlijk fris, die eerste teug Lentelucht. Je kan je wel voorstellen hoe verwonderd de kleine Penny was bij het zien van zoveel schitteringen op de bleke waterplas. En die hemel… blauw, blauw, blauw…

    Maar toen een kille wind opstak kreeg het Winterwiefje rillingen. Een schaduw schoof over het nest waardoor de nieuwe wereld zijn glans verloor. De windvlaag bracht heer Ekster op haar pad. Hij landde bijna bovenop het kuiken, en draaide zijn zwarte kop langzaam naar rechts, en dan naar links. Er was niemand in de buurt. Nu keek hij haar met gretige ogen aan. Penny had geen idee wie deze vreemde vogel was maar dat hij niet erg vriendelijk uit zijn ogen keek, dat wist ze wel. In haar buik woedde een storm en haar hart ging fel tekeer.  Zonder zich zelfs maar voor te stellen pikte heer Ekster in haar borst, haar vleugel, en haar lange nek. Haar buik trok hevig samen, haar vleugel schrijnde en er liep een rood straaltje uit haar nek. Het was toen dat zij zelf schrok van het scherpe gekrijs dat uit haar bek kwam. Ekster vloog op van puur verschieten en ging kijvend met slechts een lege eierschaal aan de haal.

    Sneeuwwit en groot, snel als de wind en met een vervaarlijk sissen en krijsen, doken pa en ma op uit het meer. Ieder met een kuiken. Hun nieuwsgierige ogen strak op Penny gericht. Sierlijk en rank, wit als de maan. Hier zat opeens hun laatste Wiefje, pas uit het ei en al prooi voor heer Ekster.
    ‘Die vleugel kreeg een flinke tik…’, pa fronste en schudde zijn lange nek, ‘ziet er niet fraai uit!’ Ma kwam heel dichtbij en duwde haar snavel zachtjes op de pijnlijke plek. Penny trok zich piepend terug.
    ‘Neen, niet fraai.’ Ook ma schudde haar nek, ‘Maar Winterwiefjes zijn een sterk soort, het komt vast wel goed,’ zei ze sussend, ‘wat meer vlees en veren op dat bot, straks is ze weer sterk. En met een krooscompres op die keel is dat bloeden zo gestopt.’ Penny kromp ineen bij het bemoedigende klopje op haar pijnlijke schouder, ‘Zo gauw ga jij niet kapot, kleintje.’ Maar met de tijd zou blijken dat ma het – voor deze ene keer – misschien wel volkomen mis had.

IMGP1954-2

    Begeleid door duizend vogelkoren trok Lente voorbij. Ze liet een spoor achter van jong groen blad en geurige bloesems. Zomer was warm, en rijp, en vol, en stortte overvloedig hemelwater over het land. Stormwind rukte tijdens Herfst aan de felgekleurde blaadjes. Krakend en kreunend gaven de bomen hun oude kapsel vrij. De roodbruine wolken dansten in de wind en landden op het rimpelende watervlak van het Borremeer. Toen de winterbomen met kale takken naar de staalblauwe hemel wezen kwamen ze. Even plots als ze later weer zouden verdwijnen.

    ‘Ma en pa moeten het geweten hebben!’ dacht Penny met een zwaar gemoed. Want toen de plas vol bruine blaadjes helder oplichtte bij het schijnsel van de volle maan, waren zij in het diepst van de nacht nog volop in de weer. Penny was een vederlichte slaper – eigenlijk was ze meer een waker dan een slaper – zij had hen gehoord. Flarden maar, maar wàt ze opving voelde akelig aan in haar lijf. Het ging over de grote Wiefjes-trek, en over het verre Zuiden. Over ‘achterblijven’ en ‘geen oplossing’. Pa sprak met een gedempte stem, ma piepte hoog en dunnetjes. In die vreemde tonen herkende Penny de klanken uit een ver verleden. Kreten van angst, afschuw en ongeloof, misschien zelfs een beetje bozig of verdrietig?

IMGP1952

    Penny had al gauw geweten dat ze anders was. Haar broer en zusje – een streling voor het oog, sierlijk glijdend over het water en dartel in hun vlucht. Zingend en kwakend speelden zij ‘kopje-onder’ in de oneindige waterplas.
    Een harde buiklanding leerde Penny dat vliegen niet voor haar bestemd was. Door die vleugel met de Eksterpik raakte ze maar nauwelijks van de grond. Ma had zich vergist. De stijfheid en pijn van die eerste uren waren nooit echt verdwenen. Haar rechtervleugel miste nog steeds de kracht en souplesse van gezonde Winterwiefjes. Ze had het echt wel geprobeerd. ‘Flapperdeflap’, zei de ene vleugel maar de andere kant zei ‘Nee!’, die deed gewoonweg niet mee. En terwijl haar ma en zusje zingend over het water zweefden, kwam Penny niet verder dan een rauw gekrijs waarop ze steevast een afkeurende snauw of een bedenkelijke frons als antwoord kreeg.
    Dus had Penny leren stil zijn en kijken, vanuit het nest bij de waterkant. En daar ontdekte zij fluisteringen en verhaaltjes uit een vreemd ver land. Het leek wel of die overheen de hoge bomen tot bij haar kwamen gevlogen. Dansend in de fluisterblaadjes, gedragen door de zachte wind, soms met koele regenvlagen, in het rommelen van donderwolken of in het licht van een bliksemschicht.

    Penny werd groot en stevig. Haar volle Winterwiefjes-kleed bedekte in het najaar zelfs haar vleugel met de Eksterpik . Dus wie het niet wist zou vast en zeker denken dat zij een gewoon Winterwiefje was. Op het water schoof zij stil vooruit, meestal rustig en voorzichtig, soms snel maar onevenwichtig. Want met één vleugel niet zo sterk, was zelfs zwemmen acrobaten-werk. Pa en ma gingen nooit ver weg. Hun jongste was als prooi geboren, en met die manke vleugel zou zij natuurlijk een makkelijke prooi blijven.
    Maar alles went, dus ook een mankement. Penny was dan wel het stille – soms wat bedachtzame – buitenbeentje, toch was zij het die de anderen aan het lachen maakte. Haar broer en zus, zelfs pa en ma, vonden haar gestuntel en vreemde gekrijs best grappig. Zo werd Penny de vreemde clown van het oude nest, en zo hoorde ook zij erbij.

    De Herfst arriveerde en ijzige rukwinden rukten de laatste koppige blaadjes van hun takken. Penny rilde terwijl ze naar de snel voorbijschuivende wolken keek. Er hing iets guur in de lucht, iets waarvan haar nekveren overeind gingen staan. Niemand had wat gezegd, maar in het stille fluisteren van die laatste rode blaadjes lag een waarschuwing. Penny wist het zeker, er was iets gaande. Maar wàt dat was, dat wist ze niet.

Maan
    
    Dus toen pa en ma onder het schijnsel van de volle maan een laatste keer hadden gebakkeleid werd eensklaps alles anders. ‘s Ochtends stond de maan nog zichtbaar aan de blauwe hemel. Een vreemde zindering hing in de lucht. Penny voelde prikjes in haar nek en zette haar veren recht. Een vreemd maar vertrouwd geluid kwam van heel ver en zwol gauw aan. Penny’ s hart ging tekeer. Ook pa en ma rekten hun nekken en speurden de hemel af, broer en zus snaterden en lachten nerveus. Het gekakel en uitgelaten gekwetter van haar nestgenoten verdween al gauw in een oorverdovend geruis van wel duizend vleugelslagen.

    Een witte wolk van Winterwiefjes streek neer op de stille waterspiegel. En overal in het Borrebos brak een gekwaak en gekwetter van jewelste los. Zo kwam er onverwacht een groot feest. Penny keek haar ogen uit en wist niet waar ze het had. Verre ooms en tantes, neven en nichten, en allen hadden een verhaal. Penny luisterde met een gulzig oor en viel van verwondering in verrassing, van plezier in compassie, en van blijdschap in verdriet.
    ‘Hoe het mij is vergaan?’, Penny schrok van de vraag. Twee neven, drie tantes en een oom. De vraag kwam als uit één snavel terwijl hun blikken onmiskenbaar naar haar stramme vleugel schoten. ‘Mijn eigen verhaal?’ Ze knikten driftig en Penny stak van wal, dat deed ze op een verrassend eigen manier.
    ‘Mijn wereld was nog erg klein want ver van huis mocht ik nooit zijn. Ik kwakkelde en zwom maar wat, in Borreplas, in ‘t struikgewas. Nooit ver van ‘t veilig oude nest. Want deze vogel heeft nog schrik, van scherpe boze Eksterpik. Bij pa en ma, en broer en zus, was ‘t veilig, rustig, daar was ‘t goed. Zij brachten kervel, ganzenvoet, en soms ook wel een blaadje zoet. Ik heb verhaaltjes leren weven langs waterkant van ’t Borreleven.’ Haar gezelschap klapperde uitgelaten met de vleugels. Penny genoot van zoveel bijval en gilde het uit van plezier. Maar haar rauwe gekrijs bevroor de enthousiaste omstaanders. Hun ontzette blikken prikten over haar hele lijf. Penny begreep dat ze zich onbezonnen had gedragen, ze schaamde zich dood voor dat nare geluid uit haar bek en zocht wanhopig naar hulp. Lachend en kwakend brak ma het ijs met een grapje zoals alleen ma dat kon, ‘Penny’s gekrijs breekt zelfs het ijs…’ En terwijl ma omstandig uitlegde hoe heer Ekster haar jongste had toegetakeld eer ze goed en wel uit het ei was sloop Penny stilletjes weg.
    ‘Wat gek,’ dacht ze, van onder een schuin overstekende rots, ‘daarnet nog voelde ik mij geweldig, en nu zou ik wel in deze steen willen kruipen van pure schaamte.’ Ze vouwde haar lange hals,  haar kop verdoken onder de stramme vleugel. ‘Ik wil niets meer horen, niets meer zien, niets meer zeggen…’

    Het feest bij volle wintermaan eindigde in een gespannen stilte. En ’s ochtends, vroeg in het grauwe licht, steeg – als een wervelende wind – de witte wolk weer op met zacht geruis. Penny wreef haar ogen uit. Niet te geloven wat ze zag. Haar broer en zus vlogen vooruit, gevolgd door pa en ma. Een koude windvlaag tilde hen met één zucht op. En zo verdwenen zij – de vluchtige Winterwiefjes – één grote familie met trek in avontuur.
    ‘Oh, pa en ma! Ga toch niet weg! Laat mij hier niet alleen…’ Maar hoog en hoger steeg de wolk, zij gingen allen heen. Ma keek nog om en gilde schel, ‘Pas nu goed op jezelf! Gebruik je ve.…’ en wat nog volgde loste op in het felle geruis rond Penny’s kop.

    Daarna werd alles stil. Penny wachtte af. Alleen in haar verhaal. Zij wachtte en zij wachtte, maar er gebeurde niets. Tot er slechts één enkele Wiefjesveer zomaar uit de hemel neerdwarrelde.
    ‘Vast van ma. Ze riep wat na, maar ‘k heb het niet begrepen…’, Penny heeft hem opgeraapt en zachtjes in geknepen. ‘Dag pa, dag ma, dag zus en broer…, ik kon niet mee op toer…’ En in een overvloed aan tranen werd heel de wereld nat.

IMGP1987

    Met het vertrek van de Winterwiefjes arriveerde de witte vorst. Penny rilde onbedaarlijk. Maar of dat alleen door het vriesweer kwam? De eerste sneeuw viel zachtjes neer en het late groen werd ros. Toen legde Winter, met vederlichte hand, zijn witte kleed over het bos. De rimpelende plas verstarde en werd ijs, haar volk was op reis en Penny zat eenzaam bij de waterkant. Alleen die veer  – door ma gegeven – was heel de tijd bij haar gebleven. Tot in de vroege ochtenduren bleef Penny naar de hemel turen. Maar geen van hen kwam er nog weer. Ze waren weg, het voelde zo verkeerd. Dag in dag uit, altijd maar wachten. In sneeuw en ijs, verlangend smachten. Van Lente en Zomer bleef zij maar dromen, wat keek ze uit naar groene bomen.

    Het was honger die haar het bos in dreef. Penny voelde zich zwak, haar vleugel hing scheef. Ze waggelde en scharrelde wat onder de sneeuw, maar voedsel was schaars en haar maag bleef leeg. Wat had ze trek in kruidenkoek op een bedje van eendenkroos. Ze droomde en ijlde, en dwaalde maar rond. Zij had vast gedacht dat er niemand bestond. Plots viel een pak sneeuw van hoog uit de boom. Penny schrok op, dit was ongewoon.     ’Daarboven in het wit… ik denk dat daar wat zit…’ Ze schudde haar hoofd en rekte haar nek, ‘Kijk nou toch, verrek, iets rood met wat bruin! Het draait zijn kruin, wat scheef maar wel lief.’
    ‘Hé Winterwief!’  Roodborst is toen naar haar toe gevlogen en heeft haar mee in het bos genomen. Stil geluisterd naar haar verhaal. Best verdrietig allemaal.
    ‘Deze Roodborst is erg tevree, pikt ook graag verhaaltjes mee.’ Penny blij en opgelucht, vertelde alles in één zucht.
     ‘Ik ga jou helpen Winterwief. Jij hebt honger en bent lief.’ En toen kwam de vreemde vraag – Penny had geluk vandaag.
    ‘Jouw eerlijke ogen en je open hart verwarmen mijn rode borst, al vriest het nog zo hard. In ruil voor zo’n doorleefd verhaal schenk ik jou een kruidig avondmaal.’ En zo is het haar toen vergaan. Een hele verandering in haar bestaan!

    Penny trok weer naar het water. En Roodborst kwam langs, een ogenblik later – met snavel vol zeldzaam kruid en hazelnoot. Penny vertelde, en Roodborstje floot. Terwijl de wintertijd verstreek doken nog meer dieren op uit bos en beek. Zij luisterden graag naar Penny’s verhaal, van Lente en Zomer, van krak in de schaal. En allen schonken zij een hap – van notenkoek en bessensap.

    Toen kleine Penny op een dag, haar oude veer daar liggen zag, kwam zij plots op een idee, ‘Een witte veer, daar schrijf ik mee!’  En ja, sindsdien met witte veer, schreef zij ze stilaan allemaal neer.
    ‘Zo bewaar ik ze voor later, wanneer de Lente speelt in ‘t water!’ De Winter is toen snel vergaan, en Penny had weer volop plezier in haar bestaan.

    Toen ijspegels drupten in de zon, en ‘t frisse groen uit boombotten sprong, zijn zij vanzelf teruggekeerd. Penny hoorde hen al van verre komen. Zij scheerden rakelings over de bomen. Het frisse groen en hun lentelied, kleurde het water en het ranke riet. Penny zag hen in de Borreplas, duizenden vogels van haar ras.
    En in de tijd die komen zou vertelde zij van winterkou. Geschreven blaadjes, heel veel briefjes – een vreemd verhaal voor Winterwiefjes. Die Penny was toch wel bijzonder. Een schrijvend Wiefje, wat een wonder! Ze hoorde hun verhalen aan, uit warme streken, ver vandaan. Penny heeft ze neergeschreven – elk avontuur een eigen leven.

    In Winters die volgden, gezeten bij het ijs, vertelde Penny over hun reis. Verhalen uit een vreemd ver land, klonken in rijm bij de waterkant. Want waar geen mus, of roodborst komen kon, daarvan genoten zij nu toch in de bleke winterzon.

IMGP2002

    Toen Penny’s jaren verstreken waren is zij heel stil heengegaan. Het was in hartje Winter, gewoon bij volle maan. Heel het bos heeft toen om haar getreurd. Was dit het einde van verhaaltjes – uit fantasie of waar gebeurd?
    Het eerste warme Lentelicht bracht de familie weer in zicht. Geen Pennyvogel bij het water, geen druk gedoe of gek gesnater. Maar aan de oude beukenboom op duizend volgeschreven blaadjes, vonden ze keurig neergepend hun kleurrijke verhaaltjes. Van wel en wee, ver en nabij, hun hele geschiedenis op een rijm.
    Die Penny had met haar schrijvend leven een bibliotheek aan hen gegeven. En zo vond ieder Winterwief ook zijn verhaal in het groot archief.

    Dus, zoek jij soms een waar verhaal… kijk dan eens in de Borrebib, daar vind je ze allemaal.

IMGP2004